Yves De Weerdt: “Er is geen andere keuze.”

//Yves De Weerdt: “Er is geen andere keuze.”

Vormingplus Kempen lanceerde in 2015 ‘Mijn 2040’, een stadsregionaal participatieproject dat burgers aanmoedigt om na te denken over de toekomst. Hoe moet de stadsregio eruit zien in 2040? De denkoefening resulteert in een krant die in 2016 wordt uitgebracht en op grote schaal wordt verspreid in de vier gemeenten die deel uitmaken van de stadsregio Turnhout: Turnhout, Vosselaar, Beerse en Oud-Turnhout. Yves De Weerdt laat zijn licht schijnen over participatie én ‘co-creatie’, wat je als de overtreffende trap van participatie zou kunnen omschrijven.
Een stap verder

“Co-creatie gaat veel verder dan participatie,” legt Yves De Weerdt uit. “Je vraagt niet aan mensen hoe ze over je beleid denken, maar maakt het samen met hen. Geen advies maar mede-eigenaarschap. Beleidsmensen die burgers inspraak geven en nadien toch gewoon hun eigen plannen uitvoeren, gaan er vaak prat op dat ze een participatief beleid hebben gevoerd. Terwijl die burgers bij de uitvoering doorgaans geen rol meer spelen. Daarom praat ik liever over co-creatie. Dat gaat een, waarschijnlijk noodzakelijke, stap verder.”

Om burgers inspraak te geven en de participatie te organiseren, werden in de jaren ’70 de adviesraden opgericht. Veertig jaar later bestaan die nog altijd. Maar het is vooral de blanke middenklasse die de raden bevolkt. Hoe representatief zijn die raden nog?

“Volgens mij kan je veel beter doen dan advies vragen. Belangrijker dan de vraag of adviesraden hun nut nog hebben, vind ik daarom de vraag waar je met je beleid naartoe wil. Wat wil je bereiken? Hoe wil je je beleid organiseren? Dat zijn de eerste vragen die je je moet stellen. Als je, volgens de normen van de democratie, zoveel mogelijk mensen bij je beleid wil betrekken en rekening wil houden met kwetsbare groepen, moet je vaststellen dat de klassieke instrumenten van de representatieve democratie vaak tekort schieten. Dat heeft verschillende oorzaken. De adviesraden werden opgericht in een periode dat de overheid alles zelf wilde regelen, en daar doorgaans ook middelen en mensen voor had. Dat uitgangspunt is veranderd. Middelen zijn schaars, en de personeelsbezetting krimpt. Daar komt nog bij dat problemen complexer zijn geworden. Problemen zijn vaak bovenlokaal en transversaal geworden. Ze strekken zich uit over verschillende domeinen en vakgebieden. Ten derde zijn burgers veel meer dan vroeger in staat om zich te organiseren en autonoom acties te ondernemen. En dat met een toenemende economische slagkracht. Als Campina Energie op een week tijd 375.000 euro bijeen haalt bij burgers, is dat meer dan een indicatie. Tel dat bij mekaar op en je kan niet anders dan vaststellen dat de adviesraden, die nog altijd geschoeid zijn op modellen uit de jaren 70, aan herziening toe zijn. Dat ligt niet eens aan de adviesraden zelf. De volledige context waarbinnen ze moeten functioneren, is fundamenteel aan het wijzigen.”

De uitdaging zit in de actie

Dat de adviesraden in hun huidige vorm niet meer deugen, is dus duidelijk. De volgende vraag is dan: schaf je ze af? Of is het aanpassen van de adviesraden een betere optie?

“Ik zou ze volledig herdenken. Met kleine aanpassingen met beperkte houdbaarheid krijg je een aantal meer fundamentele tekortkomingen van adviesraden immers niet opgelost. Adviesraden zien het advies bijvoorbeeld als een eindpunt van de participatie. Zo beperkt de inspraak zich tot het denkproces over het beleid, terwijl de grote uitdaging in actie zit, in de uitvoering. Bovendien wordt doorgaans enkel advies verleend over voorstellen die door het beleid worden voorbereid. Daar zit dus het grote verschil met co-creatie. Dat richt zich op een mede-eigenaarschap van het volledige proces, van probleemstelling over oplossing tot uitvoering. Dat sterker inzetten op een gedeeld begrip van probleem of uitdaging bij co-creatie in transitieprocessen is een enorme sterkte.”

“Einstein zei ooit: ‘Als je me een uur tijd geeft om een probleem op te lossen, zal ik 55 minuten besteden aan het begrijpen van het probleem en 5 minuten aan de oplossing.’ Daar gaan de adviesraden in de fout. De overheid besteedt amper tijd om burgers de complexiteit van een probleem uit te leggen. Alle aanwezigen in een adviesraad interpreteren een probleem op hun eigen manier. Ze geven er elk hun eigen oplossing voor, de eensgezindheid is ver zoek en het resultaat is al te vaak dat bijna niemand zich kan vinden in de beslissing die de overheid uiteindelijk neemt, wat de uitvoering dan weer sterk kan bemoeilijken.”

Wat is dan het alternatief voor de adviesraden?

foto © krims.be

“De veranderingen die we nu zien, zijn te complex om nu al een blauwdruk van de adviesraad van de toekomst te schetsen. Maar het zou me verwonderen als de burgerbewegingen zoals die al op vele plaatsen zijn ontstaan, geen ingrediënt van het nieuwe recept zouden zijn. Maar er is nog een weg af te leggen. De meeste burgerbewegingen zijn heel jong. Ze moeten de kans krijgen om te groeien en zich te bewijzen. Ze moeten ook ernstig genomen worden door de politiek, en niet tegen dezelfde lat gehouden worden als zogenaamd democratische instrumenten die al decennia lang ontwikkeld werden, bovendien gefinancierd vanuit de samenleving. Burgerbewegingen doen dat autonoom, met een sterke gerichtheid op het algemeen belang. Als de overheid die bewegingen als bedreigend gaat zien, beslist ze eigenlijk om die maatschappelijke energie te richten op tegenstellingen, op strijd. De overheid kan burgerbewegingen daarom als een zegen zien en werk maken van een constructief kader waarin iedereen vanuit zijn sterktes bijdraagt aan maatschappelijke verandering. Burgers die mee beleid maken, vormen een enorme meerwaarde, hoe oncomfortabel die voor veel politici nog aanvoelt.”

Om mee te kunnen denken over het beleid is de eerste voorwaarde dat je grondig geïnformeerd wordt.

“Klopt. Transparantie is zonder twijfel een kernbegrip in een verdere uitbouw van participatief beleid. Als je mensen vraagt om advies te geven, laat hen dan ook weten wat je ermee doet. En dat is de taak van de overheid. Maar ook daar is de tijd voorbij dat de overheid kon zeggen: ‘Deze materie gaat jullie petje te boven. Laat dit maar aan de experts over.’ Veel burgers in die processen zijn zelf expert, en soms vaak meer dan de overheid waarmee ze aan tafel zitten.”

Dat is niet gemakkelijk.

“Dat is het meest gebruikte argument om het niet te doen. Maar of het nu makkelijk is of niet, is zelfs niet relevant. Het zal moeten! Burgers bewegen zich meer en meer op het beleidsveld en hun impact op beleidsprocessen zal alles behalve verminderen. Je kan burgers dus best de informatie en de kans geven om deel te nemen aan het beleid.”

Denk aan de winst

“De overheid moet daarbij niet denken aan de moeite en de inspanning die het zal kosten om iedereen goed te informeren en te betrekken. Ze moet juist denken aan de winst die het oplevert: naast een burger die veel beter begrijpt wat beleid maken inhoudt, ook extra krediet, extra draagvlak, extra energie, extra kennis, extra inzichten… . Dat er in dit leerproces ook wel eens dingen grondig mis zullen lopen, is geen reden om er niet aan te beginnen. Opnieuw, in een zo sterk wijzigende context kan je niet halsstarrig blijven vasthouden aan oude recepten.”

Burgerbewegingen schieten als paddenstoelen uit de grond, maar hun weerslag op het beleid is voorlopig nog miniem. Die stap is nog niet gezet.

“Ik weet niet of hun impact miniem is. Wel bevindt hun invloed zich ofwel op heel lokale schaal, ofwel vooral in de strijd tegen beleid, vaak juridisch van aard. Niet onlogisch, want it takes two to tango, dus ook de overheid zal moeten meekantelen. Dat zal dus wel even duren. Het vereist een andere manier van denken en dat vergt per definitie tijd. Al zie je in de Vlaamse steden toch een positieve dynamiek ontstaan op dat vlak, met een aan te moedigen experimenteerdrift. Trouwens, of ze het nu graag doen of niet: politici zullen moeten toegeven dat de politiek niet meer álles kan regelen. Beheersen is geen optie meer. Er is geen andere keuze dan de burgers meer te betrekken bij het beleid. Dat houdt voor de overheid automatisch in dat het een stukje macht en invloed inlevert. De ene gaat daar gemakkelijker mee om dan de andere, maar dat is dus een proces waar je doorheen moet.”

Gouden kans om kloof te verkleinen

“Ik heb geen glazen bol. Ik denk trouwens dat er niemand is die nu kan zeggen hoe onze samenleving over tientallen jaren georganiseerd zal zijn. Maar er worden steeds meer burgerbewegingen opgericht en ze nemen toe aan belang en aan gewicht. Je ziet dat de politiek volop op zoek is naar een manier om daar mee om te gaan. Dat is verstandig, want als dat niet gebeurt, zal de kloof tussen de politiek en de burgers nog vergroten. Dan gaan de twee partijen op den duur lijnrecht tegenover mekaar staan. Dat is het laatste wat je wil zien gebeuren. De burgerbewegingen geven politici een gouden kans om de kloof te verkleinen. Wat je moet doen, is ze erkennen, respecteren, informeren. Dat kán. Er is alleen politieke moed voor nodig. In Sardinië gebruikt men al jaren een alternatieve munt: de sardex. De overheid heeft die munteenheid nu officieel erkend en het is iedereen zelfs toegestaan om de belastingen te betalen met de sardex. Niet iedereen ziet al in hoe fundamenteel dit het beleid verandert. Maar het toont wel aan hoe een overheid op een volwaardige manier kan omgaan met burgerinitiatieven.”

De evolutie van de burgerbeweging dreigt op twee snelheden te draaien. In de steden ontstaan sneller burgerini-tiatieven dan op het platteland. Is bij de kleinere bewegingen schaalvergroting gewenst, of juist niet?

“Dat de evolutie sneller gebeurt in steden dan in dorpen, is niet vreemd. Vier factoren bepalen de snelheid waarmee veranderingen geboren worden: de aanwezigheid van financiële middelen, de aanwezigheid van kennis, de aanwezigheid van een communicatienetwerk en tot slot ook de concentratie: hoe dichter alles bij mekaar ligt, hoe hoger de snelheid. In een stad zijn die vier factoren talrijker aanwezig dan in een kleine gemeenschap. Daar kan je niks aan veranderen, maar dat is ook niet erg. Werken op kleine schaal biedt immers ook voordelen. Om er maar eentje te noemen: de afstand tussen burger en beleid is in een dorp doorgaans veel kleiner dan in een grootstad. Dat er in een stad als Antwerpen districtsraden bestaan, kan een manier zijn om dat voordeel ook in de stad aan te wenden. Schaalvergroting lijkt mij alleen nodig als het onderwerp of het probleem daarom vraagt. Duurzaamheid is bijvoorbeeld een probleem dat je moeilijk op kleine schaal kan oplossen.”

Tekst: Roel Sels
2017-02-23T17:37:23+00:0023 februari 2017|Inspiratie|0 Comments